|
Nhd

Land van
oorsprong: Nederland.
Bouw: Kort en gedrongen, halsloos type. Breed in schouders en
borst. De nek is kort en krachtig ontwikkeld. De ruglijn loopt
vanuit de nek met een lichte welving naar de fraai afgeronde
achterhand. De afronding van de brede achterhand verloopt in een
korte ronding. De benen zijn stevig, kort en dik.
Vacht: De vacht is dicht, zacht en glanzend met veel onderwol. De
ideale pelsconditie bij het tentoonstellingsdier is een geheel
doorgehaarde pels, zonder dun behaard of kaal plekje. De verharing
herkent men duidelijk aan het grannenhaar, het oude, afstervende en
het nagroeiende, krachtig gekleurde haar is zichtbaar en te
onderscheiden. Niet enkele in het rond vliegende haren, maar flink
loslatend haar is als verharing te beschouwen. De pels moet vol
ingehaard, glanzend en aanliggend zijn.
*
Satijn
De satijn heeft dezelfde ras kenmerken maar de vacht bevat een
hoogglans als zijnde satijn stof.
Heeft een fijnere haarstructuur met een extreme glans die zeer
intens is en een satijn vacht heeft meer haren als een normale
vacht.
De factor voor satijn is ressesief.
Kop: De kop dient sterk ontwikkeld zijn, breed tussen de ogen met
sterk ontwikkelde wangen en snuit. Het neusbeen is sterk gebogen.
Bij de ram is een kleine kin-knobbel toegestaan. Hieronder verstaat
men een aanhangseltje, zo gering mogelijk.
Oren: De oorlengte bedraagt 21 tot 26 cm. Ze worden gemeten van
oorpunt tot oorpunt met inbegrip van de schedelbreedte. De oren
hangen loodrecht naar beneden met de schaalopening naar de kop
gekeerd. Aan het uiteinde zijn ze lepelvormig afgerond. Hoe dikker
en steviger de oren zijn, hoe beter. Vouwen en plooien in de oren
zijn foutief. Door de ombuiging van de oren aan de wortels ontstaan
twee zichtbare verhogingen, kronen genaamd. Deze moeten sterk
ontwikkeld zijn.
Gewicht:
Het
gewicht varieert van minimaal 1250 - 1700 gram maximaal.
Karakter: vriendelijk en levendig.
Kleuren waar ik mij mee
bezig houdt :
Konijngrijs:
De kleur komt veel overeen met die van het wilde konijn.De dekkleur
wordt gevormd door de zwarte haartoppen (ticking) op de licht
bruingrijze dekharen. De borst en de flanken zijn zoveel mogelijk in
overeenstemming met de kleur op de rug en tonen dus ook ticking,
eveneens zijn de benen zo gekleurd voor zover zij niet wit zijn. De
dekkleur mag niet te donker zijn (te ver zwart gekleurde haartoppen)
en gewaakt moet worden tegen een te rode kleur in het dek. De
ticking moet regelmatig zijn en niet vlokkerig of gegolfd. De
triangel (driehoek in de nek) is bruin met blauwe grondkleur.Bij
alle wildkleuringen moet de triangel zo klein mogelijk zijn. De
kleur is daarbij gelijk aan de tussenkleur. De buik is wit met
blauwe grondkleur. Ook de onderkant van de staart, de achterzijde
van de voorbenen en binnenzijde van de achterbenen, alsmede de
onderkant van de kop zijn wit of licht van kleur. De oogringen zijn
iets lichter van kleur en zonder ticking. De oren zijn zwart
omzoomd. De bovenkant van de staart is donkergrijs. De oogkleur is
donkerbruin. De nagels donkerhoornkleurig. De dekkleur gaat over in
een bruingrijze tussenkleur van iets krachtiger nuance dan het
bruingrijs van de dekkleur. De grondkleur is grijsblauw.
Bonttekening:
De bonttekening is niet scherp aangegeven. Wel moeten de rug en de
zijden zoveel mogelijk gekleurd zijn. Ook de kop dient zoveel
mogelijk gekleurd te zijn, met een geheel gekleurde snuit en dito
oren. De borst en de voorbenen dienen bij voorkeur geheel wit te
zijn. De achterbenen en de buik ziet men graag geheel wit of
overwegend wit. Symmetrie in de tekening dient men zoveel mogelijk
na te streven. Bij bonte dieren met witte voeten is de nagelkleur
zonder pigment, dus kleurloos.
Chinchilla:
De dekkleur wordt gevormd door lichtgrijze haren met zwarte punten
van ongelijke lengte. Al naar een regel- of onregelmatige verdeling
van deze zwarte haartoppen, krijgen wij een regel- of onregelmatige
ticking. Hoe onregelmatiger, hoe golvender deze ticking
(rupstekening), hoe beter. De zilvergrijze kleur met zwarte,
golvende ticking strekt zich uit over kop, oren, dek, borst, zijden,
voorbenen en de binnenzijde van de achterbenen zijn aanmerkelijk
lichter. De staart is aan de bovenzijde donker en zwart getickt, de
buikkleur en de onderzijde van de staart zijn wit. De oren hebben
een diepzwarte omzoming. De kleur van de pels van de Chinchilla
moeten wij rangschikken onder de wildkleuringen, zij mist echter de
factor voor geel. De nagels zijn donkerhoornkleurig. De oogkleur is
donkerbruin. Bij het inblazen in de pels ziet men een rozet gevormd
door de donkerblauwe grondkleur, waarop de tussenkleur volgt,
bestaande uit een parelwitte ring, ongeveer ter breedte van plm. 3/4
cm, omgeven door een smalle zwarte kleurring. Daarop volgt de
dekkleur, zoals omschreven. De kleuren zijn scherp begrensd. De
blauwe grondkleur moet breder zijn dan de parelwitte ring. Bij
inblazen van de buikkleur zien wij een blauwe grondkleur. |